De volgorde is niet alfabetisch maar praktisch. Wie een klok uitzoekt komt eerst de begrippen uit de eerste groep tegen, wie hem ophangt de tweede, en zo verder. Onderaan staat een alfabetisch register.
Bij het kiezen
- Doorsnede
- De buitenmaat van de klok over de breedte, doorgaans in centimeters. Bij een klok met stralen of een onregelmatige rand slaat de opgave soms alleen op de wijzerplaat; de buitenmaat kan dan aanzienlijk groter zijn.
- Wijzerplaat
- Het vlak waarop de tijdaanduiding staat. Ook wel het blad genoemd.
- Minutenring
- De ring met streepjes of cijfers voor de minuten, meestal aan de buitenrand van de wijzerplaat.
- Stil uurwerk
- Een uurwerk waarbij de secondewijzer in zeer kleine stappen doorloopt in plaats van per seconde te springen, waardoor er geen hoorbare tik ontstaat. In de handel ook aangeduid als sweep of geruisloos.
- Sweep
- Engelse aanduiding voor hetzelfde principe als een stil uurwerk.
- Radiografisch
- Een klok die een tijdsignaal ontvangt en zich daarmee zelf gelijk zet, inclusief de overgang naar zomertijd.
- Woordklok
- Een klok die de tijd in woorden weergeeft, bijvoorbeeld met oplichtende letters in een raster.
- XXL-klok
- Handelsaanduiding voor extra grote wandklokken, doorgaans vanaf ongeveer zestig centimeter doorsnede.
- Skeletklok
- Een klok zonder gesloten wijzerplaat, waarbij de wand of het uurwerk door de constructie heen zichtbaar blijft.
- Zonneklok
- Een wandklok met stralen rond de wijzerplaat, kenmerkend voor de jaren vijftig. Niet te verwarren met een zonnewijzer.
Aan de wand
- Ophangoog
- Het metalen oogje of het uitgespaarde gat aan de achterzijde waarmee de klok aan een schroef of spijker hangt.
- Hollewandplug
- Bevestigingsmiddel voor gipsplaat, dat zich achter de plaat uitvouwt of omklapt. Beperkt in draagvermogen.
- Waterpas
- De toestand waarin de klok recht hangt. Voor een slingerklok een voorwaarde om te blijven lopen.
- In slag stellen
- Het zo plaatsen van een slingerklok dat de tik aan beide kanten gelijkmatig klinkt. Meestal een kwestie van de kast enkele millimeters verschuiven.
- Slingerlens
- De ronde schijf onderaan de slinger, die langs de slingerstang verschoven kan worden. Omhoog laat de klok sneller lopen, omlaag langzamer.
- Gangreserve
- De tijd die een uurwerk blijft lopen na een volledige opwinding. Een dagwerk loopt ongeveer dertig uur, een achtdaags uurwerk ruim een week.
- Vrije hoogte
- De ruimte onder een gewichtklok waarin de gewichten kunnen dalen. Bepalend voor de ophanghoogte.
- Kijkafstand
- De afstand tussen de klok en de plek waar hij het vaakst wordt gelezen. Bepaalt het minimale formaat.
In het uurwerk
- Uurwerk
- Het geheel van aandrijving, overbrenging en regeling dat de wijzers aandrijft.
- Ontsnapping
- Het onderdeel dat de energie in gedoseerde stapjes doorlaat en daarmee het tikken veroorzaakt. Ook wel echappement genoemd.
- Anker
- Het deel van de ontsnapping dat het ankerrad afwisselend vasthoudt en loslaat.
- Onrust
- Een trillend wieltje dat bij draagbare en kleine uurwerken de rol van de slinger vervult.
- Platine
- De metalen plaat waartussen de raderen van een mechanisch uurwerk zijn opgesteld.
- Veerhuis
- De trommel waarin de drijfveer van een veerwerk is opgeborgen.
- Gewichtwerk
- Een uurwerk dat wordt aangedreven door dalende gewichten in plaats van door een veer.
- Quartzuurwerk
- Een uurwerk met een trillend kwartskristal als tijdbasis, aangedreven door een batterij.
- Synchroonmotor
- Een motor die de frequentie van het elektriciteitsnet volgt, gebruikt in elektrische klokken uit het midden van de twintigste eeuw.
- Nevenwerk
- Een klok zonder eigen tijdregeling, die pulsen ontvangt van een hoofdklok. Gebruikt in scholen, fabrieken en op stations.
- Hoofdklok
- De centrale klok die de nevenwerken aanstuurt.
- Slagwerk
- Het mechaniek dat de uren en soms de halve uren of kwartieren hoorbaar maakt.
- Bimbam
- Een tweetonig slagwerkmotief dat aan de uurslag voorafgaat.
- Westminster
- Een slagwerk dat op elk kwartier een steeds langer wordend motief speelt en daarna het uur slaat.
- Nachtafslag
- Een voorziening die het slagwerk gedurende de nacht uitschakelt, met de hand of automatisch.
Bij de koekoeksklok
- Bahnhausle
- Het kastmodel in de vorm van een spoorweghuisje, ontstaan uit een prijsvraag van de klokkenmakersschool in Furtwangen in 1850. De basis van de vorm die nu als klassiek geldt.
- Blaasbalg
- Het balgje dat lucht door een houten pijpje perst en zo een van de twee tonen van de koekoeksroep voortbrengt.
- Speelwerk
- Een mechaniek met een kamwals dat na de uurslag een melodie speelt en vaak ook de bewegende figuren aandrijft.
- Dennenappel
- De vorm van de gewichten aan de kettingen van een mechanische koekoeksklok.
- Eendaags uurwerk
- Een uurwerk met een gangreserve van ongeveer dertig uur, dat dagelijks wordt opgetrokken.
- Achtdaags uurwerk
- Een uurwerk dat ongeveer een week loopt op een opwinding, met een grotere daling van de gewichten.
- VDS-certificaat
- Een echtheidsverklaring voor koekoeksklokken die daadwerkelijk in het Zwarte Woud zijn vervaardigd, uitgegeven door de vereniging Verein die Schwarzwalduhr.
Bij oude klokken
- Comtoise
- Franse staande klok uit de Franche-Comte, herkenbaar aan het gebogen slingerblad en de naar onderen uitzwellende kast.
- Regulateur
- Een wandklok met smalle kast en zichtbare slinger, oorspronkelijk bedoeld als nauwkeurige referentieklok.
- Stoelklok
- Een Nederlandse wandklok die op een houten console rust, met een geschilderde wijzerplaat en zichtbare gewichten.
- Staartklok
- Friese wandklok met een langere kast onder de wijzerplaat, waarin de slinger zichtbaar hangt.
- Pendule
- Een schouwklok, bedoeld voor de schoorsteenmantel.
- Stolpklok
- Een tafelklok onder een glazen stolp, vaak met een langzaam wentelende torsieslinger.
- Revisie
- Het uit elkaar nemen, reinigen, herstellen en opnieuw oliƫn van een mechanisch uurwerk.
- Patina
- De laag die in de loop van de tijd op metaal en hout ontstaat. Bij oude klokken doorgaans een reden om terughoudend te poetsen.
- Craquele
- Het fijne barstpatroon in een oude laklaag of verflaag op een wijzerplaat.
- Gebakken glas op staal, gebruikt voor wijzerplaten en reclameklokken. Kleurvast maar gevoelig voor afsplinteren.
Verder lezen
De begrippen uit de eerste groep komen terug bij formaat en kijkafstand, die uit de tweede bij ophangen en bevestigen, en die uit de derde bij uurwerk en voeding. De koekoeksklokbegrippen staan in hun context op de afdeling koekoeksklok en de historische termen bij klassieke klokken.